Lucas deelt mede: september 2008

Radio Toen: 24 september 1968

Vandaag heb ik mijn debuut gemaakt op de radio.

Het programma Radio Toen is een project van Dick Pol, een klant van Eik en Linde. Het is welke week op woensdag van 11 tot 13 te beluisteren op StadsFM (kabel 103.3, ether 106.8). Het is een nostalgisch (ouwe lullen!) programma dat terugblikt op de periode 1955-1988 door een tijdsbeeld te geven van de datum van de uitzending, maar dan jaren eerder. Te horen is vooral muziek, maar ook nieuws, sport en uitgaanstips. Dick is een uitstekende redacteur met veel kennis en toewijding: hij zoekt al jaren oude nieuwsberichten en hitlijsten op en stelt hiermee het programma samen.

De huidige presentator is niet veel meer beschikbaar, dus vandaag heb ik als proef meegedraaid als co-presentator. We ouwehoerden over 24 september 1968, een jaar met heel veel hele goede muziek.

Enthousiast maakte ik meteen plannen voor een Radio Toen Podcast, zodat ook de niet-meer-naar-de-radio-luisterende leden van mijn generatie mee kunnen genieten. Dat heb ik niet volledig werkend in één dag van de grond kunnen krijgen, maar hier wel alvast de uitzending, in twee delen van een uur (28 MB per stuk, .asf formaat, rechts klikken en dan save target as...)


Radio Toen, 24 september 1968 (1/2) (2/2)

(14) Slot

Gisterenavond, na een spectaculaire (maar toch ietwat saaie) Balinese dansvoorstelling in een van de lokale tempels, kwam ik onderweg naar mijn hotel compleet toevallig in een (naar wat bleek) Japans restaurant terecht. Ik bestelde een toetje en raakte aan de praat met de lokale hanggroepjeugd aan de stamtafel, terwijl ze uit een plastic teddyberen-kan een zelfbedachte en -benaamde Arak-coktail dronken, Holy Water. Na de elke reiziger bekende en door mij plichtmatig beaamde lijst namen van Ajax-spelers, kreeg ik mijn eerste maar zeker niet laatste glas. Aan de tafel vol afgekloofde etensresten en overvolle asbakken zat een kleurrijk gezelschap. De in de hoek gezeten vreemde eend in de bijt bleek de Japanse eigenaar. Hij was ladder- maar dan ook ladderzat en sprak vrijwel geen Engels. Zijn vrouw, een mooi jong meisje uit het Christelijke en ontoeristische eiland Sumba vertaalde al net zo hartelijk als ze lachtte. Hoewel de dronkaard gezien zijn leidinggevende positie enige superioriteit zou moeten genieten werd hij verre van serieus genomen en maakte de rest van het groepje tussen het schaterlachen door om het hardst hun excuses voor het wonderlijke gedrag van de naar zeggen anders doodstille Japanner. Mijn opgave om de tafelgenoten een Drum te laten rollen - altijd een leuke inbreng als de communicatie stroef loopt - eindigde in zijn mond en hij vertelde al pruimend dat roken nog veel slechter voor je gezondheid is.

Wayan, met zijn 23 jaren de jongste van het bezopen groepje, vertelde dat hij een free-lancer is. Ik weet inmiddels dat dit een Balinees eufemisme is voor 'werkloos tot een toerist je ergens geld voor geeft'. Mijn voorzichtigheid week echter voor interesse, zeker toen Wayan mijn sympathie opwekte door te vertellen dat hij dronk om het verdriet van het recente vertrek van zijn Duitse vriendinnitje te vergeten. In tegenstelling tot de semi-gigolo's die in elk strandoord ter wereld elke week een nieuwe jonge blonde vrouwen tot prooi maken, getuigde Wayan daadwerkelijk van verdriet en ik had het met hem te doen. Zulke kortstondige vriendschappen zijn het lot van een een Balinees: toeristen komen eventjes naar het eiland, maken tonnen lol en vertrekken snel weer naar hun verre oorden. Wayan is nooit van Bali afgeweest.

Vannochtend werd ik bij mijn hotel opgehaald door mijn jonge gids op zijn kleine maar oersterke Honda. Mijn meer dan honderd kilo en de steile heuvels bleken geen enkele opgave voor het brommertje en we zoefden in een kwartiertje van Ubud naar Wayans kleine geboortedorpje. Een steile klim bracht ons naar een grot, waar de lokale bevolking na een zegening in de tempel in een donkere poel bergwater van hun huidkwalen genezen worden door honderden kleine "doctor fishes". De uitgehouwen tempel ligt in een prachtige valei met een snel stromend riviertje en prachtige rijstvelden. Uit de rotswanden stroomt drinkbaar water wiens verkoeling ik hard nodig had. Ik strompelde voorzichtig maar lomp over de smalle grasrandjes tussen de rijstvelden en een glijpartij op een modderig paadje bracht bij Wayan een aandoenlijke bezorgdheid naar boven. Mijn beschermengel en ik russten uit in de schaduw op de oever van het water en ik fotografeerde voorbij raftende Japanners in felblauwe reddingsvesten.

Na de lunch in het prachtige, spotgoedkope en overheerlijke Dewa Warung, die ik ondanks zijn centrale locatie nooit zonder lokale kennis gevonden had, bestond ons middagprogramma uit een lange brommertocht naar en van de volgende attractie. De beloofde koffieplantage was niet veel meer dan een tourist trap, want het was niet veel meer dan een klein tuintje met koffie- cacao- en salak- (een heerlijke vrucht met een schil van slangenhuid) bomen en een souvenirwinkel waar de zogenaamd lokaal gekweekte producten in mooie cadeauverpakkingen opgedrongen werden. Niet erg, want de rit door het adembenemende en vreemd genoeg verlaten landschap was meer dan fantastisch en de gratis proefsessies op de plantage (gemberthee, koffie, chocolade en verse tabak!) zeer bevredigend. Een mooiere laatste dag van deze reis kan ik me niet voorstellen en dat terwijl de avond nog moet komen. Zodadelijk ontmoet ik de vrienden opnieuw en ik ben van plan om me een gigantisch stuk in de kraag te zuipen (en compleet verkaterd aan mijn lange terugreis te beginnen).

Selamat minum!

(13) Ubud

Voor dit schrijven zat mijn inbox vol met Amsterdams nieuws en aanstaande verplichtingen en gelegenheden; ik moest zelfs midden in deze tropische hitte mijn agenda raadplegen (agen-wattes?). Ik steven met volle snelheid af op een onvoorkomelijk einde van deze magische maand : over drie dagen zit ik thuis met een woeste reisbaard, mooie herinneringen, een knoepert van een jetlag en een hele toffe houten kikkerasbak.

Ja, Ubud is inderdaad een zwaar toeristisch plaatsje; maar nee, dat maakt het niet vervelend. Tussen alle winkeltjes ("Look cheap price" me reet), hippe restaurants (karpers naast de WC) en lelijke Australiers ("Look mate, monkeys!") vind je namelijk Bali. In plaats van een stad is Ubud een uit de kluiten gewassen dorpje dat zijn buren langzaam opslokt met sjieke resort-hotels. De omgeving is machtig mooi en het kost maar een paar minuten om de chaos uit te wandelen en over een uitzicht te struikelen. Binnen de grenzen van de stad vind je trouwens zonder al te veel moeite zat groen en vogeltjes-getjirp en een blokje om brengt je zo het echte leven in.

Dit leven van de Balinezen is wonderlijk en relaxed. Het meest opvallend is het belang van religieuze rituelen: offers (ik ben al meerdere malen gestruikeld over een bananenblad-bakje met koekjes, bloemetjes en wierook), tempels (elk huis heeft er een en elke straat zeker tien), ceremonies (met mooi geklede mensen en muziek), artefacten (overal staan kleine standbeeldjes en geen muur is onversierd) en feestdagen (er zijn zoveel goden dat er elke week wel een paar dagen bijzonder zijn).
Toch hangt er nergens een dominante religieuze sfeer en heb ik me nooit opgelaten of voorzichtig gevoeld. Als de situatie het verlangt trek je je schoenen uit of draag je een sarung om je middel maar nooit zal iemand je vragen om een Boek te lezen of meer Respect te tonen. Het geloof is hier een vanzelfsprekend onderdeel van de cultuur en hoewel mensen de rituelen serieus nemen, doet niemand er belangrijk, gewichtig, laatstaan krampachtig over. Misschien komt deze ontspannen houding door de historische mengelmoes van Christendom, Islam, Hindoeisme, Boeddhisme en plaatselijk bijgeloof, misschien zijn Balinezen gewoon niet van moelijk doen. Op deze manier wil zelfs ik buigend voor een overgroeid altaartje mijn handen samenvouwen.

Een andere Balineze bijzonderheid (en een ander teken van religieuze tolerantie: gisteren is ook hier de Ramadan begonnen) is de liefde voor varkensvlees. Vermoeid en hongerig strandde ik gisteren bij een lokale warung die gezien de rijen voor de deur een lokale favoriet zou moeten zijn. Het door Honda en Coca Cola gesponsorde uithangbord spelde "IBU OKA. Babi Guling. Roast Suckling Pig." De maaltijd was fantastisch. Grote stukken mals geroosterd speenvarken lagen in een hemelse saus op me wachten op een bergje witte rijst. Het wachten duurde niet lang.

Mijn lunch vanmiddag bevatte geen varkensvlees, maar was minstens even lekker. Zoals op andere Indonisesische eilanden wordt ook hier graag gegeten in de Padang traditie. Dat gaat zo. Een rieten mandje wordt aangekleed met een rondom ingekeept stuk vetvrij papier en gevuld met twee bollen witte rijst. Achter een kanten vliegengordijn is de etalage van het restaurant gevuld met kunstig gestapelde diepe borden van porcelein, waarin de aan te wijzen keuzes uitgestald liggen. Kippenbouten, gerarineerde eieren, pittig aangemaakte zee-spinazie, gebakken tempeh, gezouten visjes, vele soorten sambal en minstens vijftien andere gerechten. Je wijst aan wat je wilt, bestelt er een flesje Teh Botol bij (een lokale ijsthee die echt naar thee smaakt), neemt plaats aan een van de grote tafels, wast je handen in een bakje water en brengt de heerlijkheden met de vingers van je rechterhand naar je mond en schuift ze met je duim naar binnen; je laat een boer of twee en rookt uitbuikend een sigaret. Zo eet ik het liefst en lekkerst.

Padang Cuisine

Hoewel deze vreetsessie mijn mooiste Ubud-herinneringen uit zullen maken heb ik vandaag ook nog cultureel gedaan. Aan de rand van de 'stad', vruchtbaar gelegen tussen rijst en palmen, staat het prachtige complex van de ARMA (Agung Rai Museum of Art). Hoewel ik zeker mooie en bijzondere schilderijen heb gezien is de collectie is lang niet zo spectaculair als de locatie. Het terrein bestaat uit twee hoofgebouwen (in Balineze stijl maar dan groter) met kunst en een ontelbaar aantal paviljoentjes, fonteinen, tempels, trappetjes en overkappingen; alles overladen door een zee van bloemen, planten en bomen. Langs de oostkant van het complex ligt tegen een heuvel een prachtig en doodstil verlaten resort met bungalowtjes, tuinen en een helblauw zwembad waar ik kalmpjes doorheen kon wandelen. None too shabby...

Museum ARMA in Ubud

Gelukkig heb ik vanochtend, na vertrek uit mijn huiselijke maar donkere en bedompte homestay, een eigen paradijsje gevonden. Mijn bungalow heeft, net als die in het ARMA resort, een rustige en groene heuvelligging en uitzicht over een prachtige tuin met vogeltjes en bloemetjes, en kost geen vierhonderd maar vier euro per nacht. Helaas kan ik er maar twee nachtjes in slaap gesust worden door de roep van een gecko en dan moet ik echt naar het vliegveld.

Geh! Koo... Geh! Koo...

(12) Weer boven water in Ubud

Een kleine week geleden vond een boot met duikers van Geko Dive voor de kust van Padang Bai een drijvend object. Het bleek een Belgische man van in de veertig in vol duikoornaat. De computer om zijn pols zei dat hij, na vier dagen steeds dieper, diezelfde dag tot 84 meter is gekomen. Geen duiker die ik sprak - iedereen wist ervan - betreurde de dood van deze geschifte waaghals. Hij moet de gevaren gekend hebben en sloeg alles in de wind: duik nooit alleen, put jezelf niet uit, ga niet zonder bijzondere training en ervaring dieper dan 40 meter. Duiken is geen gevaarlijke sport, zo heb ik gemerkt, maar alleen bij de gratie van het gezonde verstand en de voorzichtigheid van de deelnemers. Wat deze man gedaan heeft is zelfmoord - parachutespringen zonder parachute.

Mijn eerste duik als brevethouder was bij Tulamben, in het noordoosten van Bali. Tijdens WOII is de USS Liberty, een Amerikaans vrachtschip, door een aantal Japanse torpedo's geraakt, gezonken, en succesvol naar het strand gesleept. Toen in 1962 de Gunung Agung uitbarstte, heeft de lavastroom het wrak terug het water in gedreven. Het gezonken metalen gevaarte, in twee stukken gebroken en compleet leeggehaald, is nu de meest populaire duiklocatie van Bali. Deze populariteit mag dan irritant zijn maar is zoals bij andere drukbezochte attracties in de wereld volstrekt begrijpelijk. Nergens is het voor een beginnende duiker mogelijk om zo makkelijk zo dicht bij een scheepswrak te komen, laatstaan een zo prachtig exemplaar.

Onder water trof me de schoonheid en symbolische waarde van deze plaats. Een door mensen gemaakt mechanisch wonder begeeft het en verliest de strijd tegen het water. Na een menselijke redding weet het het strand te bereiken, maar de natuur wint wederom en wijst met een enorme kracht het weerloze artefact zijn plaats. Op de bodem wordt het roestende metaal ingelijfd door het onderwaterfauna: het wrak is ingeggroeid in koraal in de prachtigste kleuren, dat op zijn beurt het huis is van miljoenen beesten: roggen, schorpioenvissen, scholen volwassen Jackfish, Garden Eels (die nieuwsgierig hun kop uit hun holletje steken), gigantische open-en-dicht-klappende schelpen, zeesterren en de prachtig gekleurde en benaamde Sweetlips. De mens is nu slechts te gast en bewondert al bubbelend - wederom dankzij een technisch wonder - wat de natuur met zijn gefaalde gevaarte gedaan heeft. Irene, een Zwitserse duikinstructeur, vertelde me dat zij pas na honderden duiken het gevoel heeft dat ze een deel is van de wereld onder water; ik kom niet verder dan een verwonderde en ietwat klunzige hoogachting.

Inmiddels ben ik in Ubud gearriveerd, mijn laatste locatie van deze geweldige reis. Tot nu toe heb ik vooral veel winkeltjes gezien maar morgen wandel ik door de apenbossen en rijstvelden die de omgeving rijk schijnt te zijn. Het wandelen zal wel mijmeren worden en peinzen en terugkijken. Ik wil mezelf de kans geven om voor mijn terugkeer (tandartsafspraken, scripties, werken, zwembaden en huishouden) uigebreid mijn ervaringen te herkauwen. Wat zal ik een hoop vergeten en wat zal me een hoop bijblijven.