Voor dit schrijven zat mijn
inbox vol met Amsterdams nieuws en aanstaande verplichtingen en gelegenheden; ik moest zelfs midden in deze tropische hitte mijn agenda raadplegen (agen-wattes?). Ik steven met volle snelheid af op een onvoorkomelijk einde van deze magische maand : over drie dagen zit ik thuis met een woeste reisbaard, mooie herinneringen, een knoepert van een jetlag en een hele toffe houten kikkerasbak.
Ja, Ubud is inderdaad een zwaar toeristisch plaatsje; maar nee, dat maakt het niet vervelend. Tussen alle winkeltjes ("Look cheap price" me reet), hippe restaurants (karpers naast de WC) en lelijke Australiers ("Look mate, monkeys!") vind je namelijk Bali. In plaats van een stad is Ubud een uit de kluiten gewassen dorpje dat zijn buren langzaam opslokt met sjieke resort-hotels. De omgeving is machtig mooi en het kost maar een paar minuten om de chaos uit te wandelen en over een uitzicht te struikelen. Binnen de grenzen van de stad vind je trouwens zonder al te veel moeite zat groen en vogeltjes-getjirp en een blokje om brengt je zo het echte leven in.
Dit leven van de Balinezen is wonderlijk en relaxed. Het meest opvallend is het belang van religieuze rituelen: offers (ik ben al meerdere malen gestruikeld over een bananenblad-bakje met koekjes, bloemetjes en wierook), tempels (elk huis heeft er een en elke straat zeker tien), ceremonies (met mooi geklede mensen en muziek), artefacten (overal staan kleine standbeeldjes en geen muur is onversierd) en feestdagen (er zijn zoveel goden dat er elke week wel een paar dagen bijzonder zijn).
Toch hangt er nergens een dominante religieuze sfeer en heb ik me nooit opgelaten of voorzichtig gevoeld. Als de situatie het verlangt trek je je schoenen uit of draag je een
sarung om je middel maar nooit zal iemand je vragen om een Boek te lezen of meer Respect te tonen. Het geloof is hier een vanzelfsprekend onderdeel van de cultuur en hoewel mensen de rituelen serieus nemen, doet niemand er belangrijk, gewichtig, laatstaan krampachtig over. Misschien komt deze ontspannen houding door de historische mengelmoes van Christendom, Islam, Hindoeisme, Boeddhisme en plaatselijk bijgeloof, misschien zijn Balinezen gewoon niet van moelijk doen. Op deze manier wil zelfs ik buigend voor een overgroeid altaartje mijn handen samenvouwen.
Een andere Balineze bijzonderheid (en een ander teken van religieuze tolerantie: gisteren is ook hier de Ramadan begonnen) is de liefde voor varkensvlees. Vermoeid en hongerig strandde ik gisteren bij een lokale warung die gezien de rijen voor de deur een lokale favoriet zou moeten zijn. Het door
Honda en
Coca Cola gesponsorde uithangbord spelde "IBU OKA. Babi Guling. Roast Suckling Pig." De maaltijd was fantastisch. Grote stukken mals geroosterd speenvarken lagen in een hemelse saus op me wachten op een bergje witte rijst. Het wachten duurde niet lang.
Mijn lunch vanmiddag bevatte geen varkensvlees, maar was minstens even lekker. Zoals op andere Indonisesische eilanden wordt ook hier graag gegeten in de Padang traditie. Dat gaat zo. Een rieten mandje wordt aangekleed met een rondom ingekeept stuk vetvrij papier en gevuld met twee bollen witte rijst. Achter een kanten vliegengordijn is de etalage van het restaurant gevuld met kunstig gestapelde diepe borden van porcelein, waarin de aan te wijzen keuzes uitgestald liggen. Kippenbouten, gerarineerde eieren, pittig aangemaakte zee-spinazie, gebakken tempeh, gezouten visjes, vele soorten sambal en minstens vijftien andere gerechten. Je wijst aan wat je wilt, bestelt er een flesje
Teh Botol bij (een lokale ijsthee die echt naar thee smaakt), neemt plaats aan een van de grote tafels, wast je handen in een bakje water en brengt de heerlijkheden met de vingers van je rechterhand naar je mond en schuift ze met je duim naar binnen; je laat een boer of twee en rookt uitbuikend een sigaret. Zo eet ik het liefst en lekkerst.

Hoewel deze vreetsessie mijn mooiste Ubud-herinneringen uit zullen maken heb ik vandaag ook nog cultureel gedaan. Aan de rand van de 'stad', vruchtbaar gelegen tussen rijst en palmen, staat het prachtige complex van de ARMA (Agung Rai Museum of Art). Hoewel ik zeker mooie en bijzondere schilderijen heb gezien is de collectie is lang niet zo spectaculair als de locatie. Het terrein bestaat uit twee hoofgebouwen (in Balineze stijl maar dan groter) met kunst en een ontelbaar aantal paviljoentjes, fonteinen, tempels, trappetjes en overkappingen; alles overladen door een zee van bloemen, planten en bomen. Langs de oostkant van het complex ligt tegen een heuvel een prachtig en doodstil verlaten resort met bungalowtjes, tuinen en een helblauw zwembad waar ik kalmpjes doorheen kon wandelen.
None too shabby...
Gelukkig heb ik vanochtend, na vertrek uit mijn huiselijke maar donkere en bedompte homestay, een eigen paradijsje gevonden. Mijn bungalow heeft, net als die in het ARMA resort, een rustige en groene heuvelligging en uitzicht over een prachtige tuin met vogeltjes en bloemetjes, en kost geen vierhonderd maar vier euro per nacht. Helaas kan ik er maar twee nachtjes in slaap gesust worden door de roep van een gecko en dan moet ik echt naar het vliegveld.
Geh! Koo... Geh! Koo...